Jai Paul, de mysterieuze contemporary R&B sensatie

Jai Paul – Jasmine (XL Recordings, 2012)     

De grote belofte van de contemporary R&B is terug. En hoe. Afgelopen maand verscheen na een stilte van twee jaar opeens het nummer Jasmine op het internet. De mysterieuze Jai Paul slingerde in 2010 via zijn myspace-pagina (ja, het bestaat nog) vanuit het niets het nummer BTSTU de wereld in. Het liedje werd in een razend tempo door de grootste blogs opgepakt waarna al deze blogs er daarna alleen maar enthousiaste reviews over schreven. Het begin van een grote carrière leek  aanstaande. Maar toen werd het stil. Sterker nog: het was vanaf het begin al stil rondom deze muzikant. Niemand wist precies wie hij was. Het enige dat toentertijd bekend was, was het feit dat hij een 21 jarige muzikant/producer uit de wijk Rayners Lane in Londen was. Hoe hij eruit zag, wat zijn plannen waren en hoe hij alle aandacht van de grote muziekblogs vond was allemaal niet bekend. Jai Paul is vanaf het begin een groot mysterie, mede omdat hij geen interviews geeft en omdat er eigenlijk maar één foto van hem op het internet circuleert en waarvan de echtheid inmiddels ook in twijfel wordt getrokken. De ‘geheimzinnige artiest zonder duidelijke identiteit’ is natuurlijk niet iets nieuws in de popwereld, maar Jai Paul voerde dit fenomeen als één van de beste uit. Door zijn startext bewust zo klein mogelijk te houden, creëert Jai Paul (al dan niet onbewust) een eigen buzz. Maar als je enige nummer slecht is, dan kan je net zo mysterieus doen als je wil maar dan komt er echt geen buzz. Gelukkig voor Jai Paul werd zijn nummer direct een hit op diverse muziekblogs. Het nummer werd ook gesampeld door mensen als Beyoncé en Drake.

Na de release van het nummer BTSTU werd Jai Paul zelfs getekend op het Britse XL Recordings label, een onafhankelijke platenmaatschappij die platen heeft uitgebracht van grote artiesten als The Prodigy, Radiohead, The White Stripes, The xx, Tyler the Creator en Adele. Het label bracht het nummer BTSTU opnieuw uit, waarna een berg muziekblogs weer over hem begonnen te schrijven. Je verwacht dat een artiest na het tekenen op zo’n groot label snel meer van zich laat horen doormiddel van een EP of zelfs een album maar niets van dit alles bij Jai Paul. Het bleef daarna zelfs een jaar helemaal stil rondom hem, tot afgelopen april 2012. Want daar was opeens het nummer Jasmine.

Jasmine opent met een noise-element dat na een zestal seconden overgaat in een donkere beat. Deze beat kabbelt een tijdje door waarna langzaamaan een gitaar en een drukcomputer het nummer in komen sluipen. We worden in de eerste halve minuut al direct het donkere en grillige Jai Paul-universum ingezogen. Alhoewel donker? Het is op het eerst gehoor een stuk lichter dan BTSTU, maar toch nog donker genoeg om het ‘donker’ te mogen noemen als je het vergelijkt met andere contemporary R&B artiesten. Ik noem het voor het gemak contemporary R&B, maar dit is niet bepaald een genreomschrijving die de muziek goed omschrijft aangezien het genre erg breed is er varieert van artiesten als Frank Ocean, Janelle Monáe tot aan The Weeknd. Maar ik moet wat. De lezer heeft houvast nodig. Maar hieruit blijkt ook wel dat een genre niet iets essentieels en formalistisch is dat vaststaat, maar dat het meer iets is dat gezien moet worden als een dynamisch proces (Wevers, college Pop Criticism 2012).

Wat we verder in het nummer krijgen voorgeschoteld is een unieke surrealistische collage geluiden variërend van hedendaagse R&B gecombineerd met funk waar Prince en D’Angelo patent op hebben, een beetje Chillwave, een beetje Wonky, een melodieuze doch donkere beat en een quasi-verveelde en nasaal klinkende Jai Paul die zingt over zijn onmogelijke liefde met ene Jasmine. Wat opvalt aan de muziek is de aanwezigheid van een elektronisch sausje over het hele nummer. Wevers heeft het in zijn college over Pop Criticism dat technologie vaak geassocieerd wordt met niet-authentieke muziek (Wevers, college Pop Criticism 2012) maar dat argument gaat hier dus niet op. Het is juist deze combinatie van R&B met Funk en elektronica wat deze muziek volgens veel muziekblogs erg authentiek en eigen maakt. Dit komt natuurlijk ook omdat vrijwel niemand de muziek maakt die Jai Paul maakt, het is iets nieuws. Dit is ook een eigenschap van de hedendaagse blogosphere. Wevers heeft het over de authentication of micro-genres, een eigenschap van muziekblogs dat ze voornamelijk kijken naar kleine en nieuwe genres die de grote bladen vaak laten liggen (Wevers, college Pop Criticism 2012).


Bibliografie:
Wevers, Melvin. Pop Criticism. College Pop, 24 april 2012
Overige media:

Jai Paul – BTSTU:

http://www.youtube.com/watch?v=hnO2gZRA3ow&feature=related

Jai Paul – Jasmine:

http://www.youtube.com/watch?v=0N_6i7FVpMU

Flavine

Het publiek snapte er niks van. De altijd zo rustige Flavine zette haar keel wijd open om een angstaanjagend geluid te produceren waar vrijwel iedereen in de zaal kippenvel van kreeg. Ik zeg nadrukkelijk ‘vrijwel iedereen’ om aan te geven dat niet iedereen er bang van
werd. Ik, Augustine, het nette Joodse meisje met de mooie kleren, voelde bijvoorbeeld vrijwel niks. Ik had direct al door, toen we met z’n tweeën besloten om vanavond naar een comedyshow in de Comic Strip in New York te gaan,  dat er iets raars aan de hand was met Flavine.

Ze was de gehele metroreis zichzelf al niet. Het begon al bij beginhalte Bleecker Street. ‘Welke lijn moeten we hebben?’, vroeg ze aan mij. Mensen die Flavine niet kennen, en ik ga er gemakshalve een beetje van uit dat vrijwel iedereen die dit leest Flavine niet kent, zullen denken dat dit iets vrij normaals is om te vragen. En op zich moet ik hen daar gelijk in geven. Maar een ‘normale Flavine’ zou zoiets nooit, maar dan ook nooit vragen. Als ze het al niet zeker wist, wat al iets raar zou zijn aangezien ze alle metrolijnen van New York uit haar hoofd kende omdat ze vroeger als kind elk jaar een nieuwe metrokaart kreeg voor haar verjaardag, dan zou ze nooit laten blijken dát ze het niet wist. Ze was per slot van rekening ook Joods, net als ik. Maar nu vroeg ze gewoon welke lijn we moesten pakken. En het was niet dat we tien keer moesten overstappen om bij 77 Street te komen. We moesten vanaf Bleecker Street gewoon de groene lijn 4 pakken, Uptown richting Woodlawn. Dit vertelde ik Flavine, waarop zij zonder te antwoorden naar de juiste lijn liep.

In de metro gingen we naast elkaar zitten. Het was inmiddels net half acht geweest dus we zouden ruim op tijd komen voor de comedyshow. Flavine zag er mooi uit in haar rode jurk en de subtiel aangebrachte make-up op haar mollige maar niet lelijke gezichtje maakte het plaatje af. Ze had blijkbaar haar best gedaan om er net zo mooi uit te zien als ik.  Ook de mannen in de metro bekeken ons de gehele rit van top tot teen. Ik was niets anders gewend en ik genoot er dan ook altijd van, maar voor Flavine was dit iets nieuws. ‘Kijk Flav, ze kijken naar je’, zei ik met zachte stem tegen haar. ‘Hmmm, ja dat zal wel’, was het enige dat Flavine terug zei. De rest van de rit waren we allebei stil, een uniek moment. Bij halte 77 Street stapten we uit en liepen we naar de Comic Strip comedyclub. Het regende en we bleven zwijgen.

Alles liep tijdens de show, waarin verschillende comedians hun kunstjes vertoonden, zoals het waarschijnlijk elke dag ging in de Comic Strip. De grappenmakers lieten hun grapjes los op het publiek en het publiek moest lachen en als het écht grappig was dan klapte het publiek in hun handen tegelijkertijd met het lachen. De avond liep tegen het einde en de laatste comedian stond inmiddels al op het podium. Zijn naam was Julius Vandertown en ik weet nog dat hij een grap maakte over iets met euthanasie, paaseitjes, een goedkoop schoonmaakmiddel en zijn moeder en hij verbond deze op het eerste gezicht niet-verbindbare dingen tóch met elkaar in een grap. En op dat moment ging het dus mis. Flavine begon dat angstaanjagende geluid te produceren en de mensen om ons heen raakten vrijwel allemaal in paniek en ook Vandertown wist niet goed of dit nu een teken was van ‘we zitten op één lijn qua humor!’ of dat er iets serieus mis was met het ietwat mollige meisje in de rode jurk rechts in de zaal. Ik bleef rustig en probeerde Flavine rustig te  krijgen door zachtjes maar niet tė zacht in haar knieën te knijpen.

 

[... eerder die dag ... ]

17.33 uur: Flavine en haar vriendje Hamid Naficy zitten thuis op de bank. Ze zwijgen.

19.12 uur: Flavine verlaat het huis en loopt naar metrohalte Bleecker Street om daar met mij, haar beste vriendin Augustine, samen de metro te pakken naar 77 Street.

19.35 uur: Flavine en ik stappen de metro in.

19.48 uur: Hamid Naficy gaat op de bank in de woonkamer liggen en neemt een dertigtal pillen in.

19.59 uur: Hamid begint te schuimbekken.

20.16 uur: Een voorbijlopende buurvrouw ziet Hamid per toeval op de grond liggen en belt de ambulance.

20.37 uur: Hamid wordt op een brancard gelegd en naar het St. Lukes-Roosvelt ziekenhuis gereden.

20.44 uur: Artsen willen de buikinhoud van Hamid leegpompen, maar komen er al snel achter dat het te laat is.

20.48 uur: Hamid Naficy wordt officieel doodverklaard.

20.48 uur: ‘De Schreeuw’ van Flavine in de Comic Strip comedyclub in New York.

20.49 uur: Flavine gaat er inmiddels bij staan en de comedian gaat verder met zijn show.

20.51 uur: Flavine houdt haar mond, haar ogen zijn groot. Vandertown gaat verder met een volgende grap, nu over een paard in de woestijn. Het is een stomme grap, maar de mensen moeten toch lachen.

20.53 uur: Flavine staat nog steeds, maar in haar ogen lijkt een soort berusting te komen.

20.56 uur: Vandertown slingert zijn eindgrap de zaal in.

20.57 uur: Het publiek klapt luid.

20.57 uur: Flavine blijft apathisch staan.

20.57 uur: Vandertown bedankt de mensen in de zaal en zegt dat hij nog nooit zo’n fijn publiek heeft gehad om voor te spelen.

21.00 uur: De meeste mensen gaan naar huis en ik, Augustine, besef me dat er vandaag iets heel raars is gebeurd.

“Age kind of changed you, and change kind of aged you.” © Case Mayfield – The Title

Opdracht voor het vak Pop: muziek, tekst, media, performance, onderwerp authenticity  (Universiteit van Amsterdam, 7 maart 2012)

Het is een bijzonder man die Case Mayfield.  Hij wordt in 1987 geboren als Kees Veerman. En als je naar zijn achternaam kijkt, vermoed je al direct dat hij dan wel vrijwel zeker ter wereld moet zijn gekomen in het pittoreske vissersplaatsje Volendam in Noord-Holland, het ietwat incestueuze dorpje alwaar iedereen  Smit, Tol, Visser, Keizer of dus Veerman heet.  Het is ook een plek waar de jonge Kees  zich al vanaf het begin niet thuis voelt en vandaag de dag geeft hij nog steeds vaak af op zijn geboortedorp. Onlangs vergeleek hij Volendam in De Wereld Draait Door zelfs met een dierentuin.

Het is in deze gesloten Volendamse gemeenschap alwaar de jonge Kees Veerman zich ontpopt tot rotjochie. Hij steelt, drinkt veel, gebruikt drugs en verveelt zicht stierlijk. Totdat hij in 2000 eigenlijk per toeval een liedje speelt op de herdenkingsdienst ter nagedachtenis van de slachtoffers van de cafébrand in Volendam. Hij krijgt een hobby die uiteindelijk zelfs uitgroeit tot een levensdoel. Hij is op deze wereld gekomen om muziek te maken en dan niet in de muzikale traditie van Volendamse artiesten als BZN, The Cats, Nick en Simon of Jan Smit, maar als iets dat hier 180 graden tegenover staat. Hij is authentiek en doet wat hij zelf wil, in plaats van de “palingssound-artiesten” uit Volendam die die muziek alleen maar maken omdat het aanslaat bij een groot publiek.

Zijn jeugd in Volendam kan gezien worden als voedingsbodem voor hoe Case Mayfield nu in het leven staat als artiest. Het woord authentiek is hem op zijn lijf geschreven. Zijn teksten zijn ook erg authentiek en echt. Zo zingt hij bijvoorbeeld over dat hij het zonde vindt dat zijn vader zijn hele leven visser is gebleven omdat dat voor de hand lag in Volendam, terwijl hij veel meer had kunnen doen met zijn leven. Zijn authenticiteit komt ook naar voren in zijn optredens (alleen hij met een gitaar) en in zijn interviews (“Singer-songwriter Case Mayfield is een man met een missie. Hij wil de onechtheid en de valse zelfverzekerdheid van de mensheid ontmaskeren. Daarvoor heeft hij twee wapens: aan de ene kant de donkere, soms sinistere, soms melancholische liedjes op zijn debuutalbum The Many Colored Beast. Aan de andere kant humor. Flauwe, platte humor.”).

Ik ga dit stukje niet eindigen met ‘luister naar hem, hij heeft luisteraars nodig!’ want al zou je dat niet doen, dan zou dat nog niets uitmaken. Deze artiest laat zich namelijk niet leiden door commercie, financiële belangen, plaatverkoop of andere wat eigenlijk secundaire beweegredenen zouden moeten zijn voor muzikanten. Case Mayfield zal namelijk altijd blijven bestaan, ook al luister je niet naar hem. Hij vat zijn eigen authenticiteit zelf eigenlijk nog het beste samen met de quote ‘Zodra ik iets wil en ik krijg het niet, dan creëert dat een ongelukkig gevoel bij me. Dus als ik een liedje maak en ik word niet gedraaid op 3fm of ik word niet uitgenodigd bij De Wereld Draait Door, dan word ik alleen maar teleurgesteld. Maar als ik gewoon niks wil dan merk ik dat ik mij best op mijn gemak voel.’ Het gaat hem dus alleen maar om het maken van persoonlijke, melancholische liedjes. Hij, zijn stem en zijn gitaar. Meer heeft hij niet nodig en over meer denkt hij niet na. Het is zijn levensdoel. Case Mayfield is wat mij betreft een parel voor de Nederlandse muziek. Een romantische artiest, ze bestaan gelukkig nog.

‘Je lijkt op George Clooney’

Petra had vandaag wel iets weg van George Clooney. En daar was ze niet blij mee. Hoe knap of leuk de desbetreffende man ook is, het is nooit leuk voor een vrouw om met hem vergeleken te worden. ‘Je lijkt op Clooney!’, was het eerste dat Mark riep toen Petra zelfverzekerd, maar zeker niet verwaand, het café binnenstapte. Weg zelfverzekerdheid. Weg leuke avond. Weg stukje uit haar ziel. Zo makkelijk is dat. Mensen die beweren dat mensen een kutgevoel geven lastig is, die liegen. Mark had dat met één simpele opmerking aangetoond.

‘Waarom zeg je dat?’, vroeg Petra nadat ze een biertje had gehaald om haar aanstaande verdriet alvast weg te drinken. Petra was namelijk een expert op het gebied van de anticipatie. Ze wist direct na de opmerking van Mark dat ze hier later op de avond om zou gaan huilen, dus waarom zou ze zich nú dan al niet alvast bezatten? Allicht zouden haar tranen dan minder hard aankomen  …. ‘Omdat je ECHT op hem lijkt!. Hoor je dat dan niet vaker?’ Petra nam een slok van haar bier. Sterker nog: ze stopte niet meer met drinken. Ze dronk haar glas in één teug leeg. ‘Nee, Mark. Dat hoor ik nooit. En weet je waarom ik dat nooit hoor? Omdat ik een vrouw ben. En George Clooney is een …..’ ‘Een man!’, schreeuwde Mark. Mark had de vervelende gewoonte om zomaar te gaan schreeuwen midden in een gesprek. ‘Ja, een man inderdaad. En daarom word ik nooit met hem vergeleken. Aangezien ik een vrouw ben.’ ‘Maar dat maakt toch niks uit! Je hebt zijn oren! En nu ik zo dicht bij je zit, merk ik nog een overeenkomt, namelijk je geur! Ook George Clooney stinkt uit zijn bek!’

Petra voelde de tranen opkomen. Ze besloot om snel naar de bar te lopen om iets anders te bestellen. Iets met meer alcohol. ‘Barman, doe mij maar een Old Fashioned. Met whiskey.’ Dit had ze Donald Draper in Mad Men ook vaak zien drinken en ze vond het altijd wel stoer staan. Ze dronk het glas in één teug leeg om vervolgens naar de barman te roepen dat ze er nog één wilde. Met het volle glas liep ze vervolgens terug naar het tafeltje waar Mark nu met zijn kin in een bak nootjes hing. Er lagen zelfs nootjes op de vloer. ‘Wat een raar gezicht’, mompelende Petra met een beschamende snik in haar stem. ‘En uitgerekend hij durft mij zo te vernederen…..’

‘Heb je niks voor mij besteld?’, vroeg Mark met oprechte verontwaardiging toen Petra weer ging zitten. Heb ik dit goed gehoord, dacht Petra? Denkt hij nu echt dat hij mij eerst kan gaan vergelijken met George Clooney en dat ik daarna een drankje voor hem zou halen? ‘Nee, dat heb ik niet gedaan.’ ‘Maar je weet toch dat ik van je houd? Ik houd van George Clooney! Dus ik houd ook van jou, Petra! Haal snel een biertje voor me! En daarna vraag ik je ten huwelijk!’ Petra kon een glimlach niet onderdrukken en liep naar de bar om het biertje te gaan halen.

‘Het blijft een gekke jongen die Mark. Hij heeft af en toe van die malle vergelijkingen, maar hij is wel eerlijk. En waar vind je tegenwoordig nog een eerlijke man?’ De barman kende zowel Mark als Petra niet goed genoeg om hier fatsoenlijk op in te gaan, dus hield hij zijn mond maar. Tevens klonk het nummer Ik voel me zo verdomd alleen van Danny de Munk zo hard door de speakers van het café, dat hij sowieso erg hard had moeten praten om zichzelf verstaanbaar te maken. Het leek hem het beste om gewoon zijn mond te houden. Petra vond het prima. Ze had net namelijk een eerlijke man aan de haak geslagen. Misschien zou ze eindelijk weer eens neuken. Ze moest glimlachen. Wat een mooie avond.

Le train de saleté

Ik zat eens met al mijn vrienden in de trein. Ik had een lekker zittende broek aan. We hadden allemaal een drankje in ons hand en ik deelde in onze coupé de krentenbollen uit die ik die ochtend bij bakker Willem gekocht had. Voor een paar euro had je toen al een aardig gevulde zak met krentenbollen. Iedereen  was blij en in zijn of haar element. We waren vrolijk en de zon scheen buiten, maar hij scheen ook ín de coupé. Het was één groot feest.  We zongen liederen en vertelden elkaar de spannendste en mooiste verhalen. Mensen begonnen in staat van euforie over de grond te rollen en in het rond te schreeuwen en niemand die daarvan opkeek. Alles mocht, er waren geen regels zolang je maar genoot. En dat deed iedereen met volle teugen.

Totdat, rond 14.15 uur, de klapdeur van onze (ja, het was inmiddels ONZE coupé) open ging en daar de conducteur kwam aanlopen. Althans dat dachten we. Want toen we nog een keer goed keken bleek het helemaal niet om de conducteur te gaan. Het was iemand die zich VOORDEED als conducteur, maar het was er geen. Ten eerste klopte zijn uniform niet (want hij droeg een gele pullover met daaronder een grijze broek) en ten tweede stonk hij. En je kan alles zeggen over conducteurs, maar niet dat ze stinken. Dus hier zat een luchtje aan. Er klopte iets niet en iedereen had dit dan ook direct door. De sfeer sloeg direct helemaal om. Weg gezelligheid. Weg mooie verhalen. Weg zon.  ‘Uw vervoersbewijs, alstublieft.’ Hij deed of er niks aan de hand was. Hij stond daar, pakte zijn knipper en vroeg ons, één voor één, om ons vervoersbewijs.

Hij begon bij Evelien. Ze wist niet waar ze het zoeken moest. Druk begon ze in haar tasje te zoeken naar haar kaartje. Natuurlijk lag hij weer helemaal onderop. ‘Doe rustig aan’, zei de conducteur op een té vriendelijke manier. En dan hebben we het nog niet eens over zijn smerige glimlach die hij toen op zijn gezicht toverde. Alsof hij dat vaker had gedaan, wat waarschijnlijk ook wel het geval was geweest aangezien hij alles deed met een irritante en achteloze nonchalance. Evelien had eindelijk haar kaartje gevonden, gaf hem aan de ‘conducteur’ en wachtte af. Hij bekeek het kaartje, constateerde dat alles klopte, zette zijn knipmachine in het papier, drukte en gaf het kaartje terug aan Evelien. We wisten niet waar we het zoeken moesten. Wat een lul! Hoe durft hij!

Nu was ik aan de beurt. Ik had mijn kaartje in mijn broekzak zitten. Hij kwam naast me staan en herhaalde wat hij daarnet bij Evelien had gezegd en vroeg mij dus ook op een vriendelijke doch dwingende manier om mijn vervoersbewijs (de manier hoe hij ver-voers-be-wijs zei! Gadverdamme, wat een ranzigheid!) Maar ik zou deze mooie middag niet laten verpesten door zo een klootzak als hij. ‘Sorry, maar ik heb geen kaartje’, loog ik. Ik had altijd een kaartje, maar ik had zin in een spelletje. ‘Oh, en hoezo niet meneer?’ ‘Omdat ik vergeten ben een kaartje te kopen, meneer de CONDUCTEUR’. Ik probeerde hem uit de tent te lokken door belachelijk veel nadruk te leggen op het woordje conducteur, maar het lukte niet. ‘Oh, dat geeft niet hoor, deze keer zal ik het door de vingers zien haha’, zei hij ‘maar de volgende keer niet meer vergeten hoor’ en terwijl hij dit zei gaf hij mij een knipoog en stak hij bij wijze van een gespeelde reprimande demonstratief zijn wijsvinger omhoog. Iedereen was natuurlijk met stomheid geslagen. Hoe was dit mogelijk. Hoe kon zo een rotzak op deze manier onze gezellige treinreis nu verpesten? Maar het was hem gelukt. En hoe.

Vervolgens ging hij de rest van onze coupé af. Toen hij iedereen had gecontroleerd, lachte hij even vriendelijk naar een aantal dames in onze groep, pakte hij de enige overgebleven krentenbol uit mijn zak, nam een hap en liep de coupé weer uit alsof er niks was gebeurd, ons met verbazing en angst achterlatend. We zouden het later op feestjes en verjaardagen nog vaak hebben over deze bizarre ontmoeting. De rillingen lopen nu nóg over mijn rug als ik eraan terugdenk.

Vreemdgaan gaat door de maag

Lief dagboek,

Het is alweer een tijd geleden dat ik je heb beschreven. Je weet toch nog wel dat mijn naam Maria is? Ik zeg het toch maar weer even voor de zekerheid. Sorry voor de lange afwezigheid. Maar ik zit toch wel met een paar dingetjes. Misschien helpt het om het van mij af te schrijven. Niet dat ik jou als een ordinair kladblok beschouw, je weet hoeveel ik om je geef. Maar waar ik de laatste tijd mee zit is het feit waarom wij, als mens, nog vlees eten. Naast dat het natuurlijk erg zielig is voor de dieren, is het ook nog eens inefficiënt, onethisch, en zielig, maar dat heb ik al gezegd. Maar ik zeg het gewoon nog een keer, want dit is en blijft mijn dagboek. Ik kan doen en laten wat ik wil. En dan heb ik het nog niet eens gehad over hun leefomstandigheden of over dierproeven. Wat mij nog het meeste stoort is het feit dat heel veel mensen vaak de link helemaal niet meer leggen tussen  het vlees op hun bord en het zelfde dier in de wei. Ik las laatst dat dit defamiliarization heet. Biefstuk is biefstuk en een koe in de wei is een koe in de wei.

Iets anders wat mij nu opeens te binnen schiet en wat hier totaal los van staat (of misschien toch niet?): Tom is nog steeds niet erg actief in bed. Waarschijnlijk vindt hij zijn nieuwe college Gerda toch leuker dan ik. Ik zag laatst in zijn telefoon dat hij haar twee keer had gebeld toen ik bij yoga was. Lief dagboek, ik speel met de gedachte om Gerda stiekem te bereiden in een knoflooksaus en haar aan Tom te serveren als avondeten. Kijken of hij het lekker vindt. Zo ja, dan verlaat ik hem onmiddellijk. Zo niet, dan vindt hij zijn college Gerda misschien toch niet leuker en lekkerder dan ik en dan wil ik hem nog wel een nieuwe kans geven. Zie het als een soort Freudiaans eetpatroon in de stijl van een Freudiaanse verspreking. Onbewust zal hij zijn keuze maken tussen mij en Gerda. Misschien heeft dit stuk dan toch iets te maken met het stuk waarin ik mij boos maakte om het vleeseten van de mensheid. Want ook bij Tom zal er op het moment suprême sprake zijn van defamiliarization; ook hij zal de link niet leggen met wat er daadwerkelijk op zijn bord ligt. Het gegeven dat het Gerda is, zal hem in ieder geval niet verblinden als hij zijn oordeel velt. Mocht hij het niet lekker vinden en daarmee indirect voor mij kiezen, dan zal ik bij hem blijven. Want zo lang die, al dan niet onbewuste, geestelijke band er nog is tussen Tom en mij, zal ik voor onze relatie vechten. Wat moet ik anders, lief dagboek?

Gnoe

Joris snuffelt genoegzaam in zijn imposante boekenkast. Het is al zeker vijf dagen geleden dat hij dat voor het laatst had gedaan. Het  werd weer eens een keer tijd vond hij. Iedereen met zo’n grote en mooie boekencollectie zou daar elk moment van de dag in snuffelen. Al is het alleen maar omdat je verslaafd bent aan de geur van oude boeken. Die geur is niet te omschrijven. Maar (als jullie het me toestaan) zou ik het nog het best kunnen vergelijken met orgelgeur. Net zo ongrijpbaar en met een net zo’n volle reuk.

Joris wil net een groengrijs boek van de één na hoogste plank pakken, als zijn dikke doch vriendelijke ingenomen naakte vrouw iets roept. Gerda was haar naam en ze was niet bepaald moeders mooiste. Ze zou een mooie gnoe zijn, maar een mooie vrouw was ze niet en dat zou ze zeker ook nooit worden. Het feit dat zij en Joris dat beiden wisten maakte hen een sterk koppel. ‘Wil je me voorlezen, Joris?’, vroeg Gerda met een guitige stem. Joris had een hekel aan voorlezen. Hij hield alleen maar van snuffelen. ‘Nee, dat wil ik niet Gerda. Jij weet net zo goed als ik dat ik daar niet van houd.’ ‘Dat weet ik, maar ik ben geil Joris. Wil je voor één keer een uitzondering maken?’, vroeg Gerda met knarsende stem. ‘Nou vooruit dan maar, omdat je zo lelijk bent als je naakt bent.’ Joris ging op het boekenkasttrappetje staan dat hij twaalf jaar geleden bij de IKEA had gekocht en sloot zijn ogen. Op goed geluk liet hij zijn slanke vinger langs de boeken gaan. Hij telde tot 7,5 en stopte. Zijn ringvinger bleef haken achter een brede rug van een nog vrij nieuw uitziend boek. Hij deed zijn ogen open en zag dat hij Ongewenste strandwandelingen van Timo Morsschuit had uitgekozen.

Joris liep het trappetje af en kwam naast zijn naakte Gerda op de sofa zitten. Gerda stak een vinger achter haar nauwe knieholte en Joris wist dat zij er klaar voor was. Hij begon te lezen, maar na een kwartiertje merkte hij dat Gerda weg was. Hij had niks gemerkt, omdat hij zo in het boek zat. ‘Gerda, waar zit je?’, riep hij. Maar het bleef stil. ‘Gerda, lieverd waar zit je nou?’ Nog steeds niks te horen. Een paar uur gingen voorbij, maar Gerda was in geen wegen of velden te bekennen. Joris vond dit uitermate vreemd aangezien zijn Gerda naakt nooit de deur uit ging. Daar schaamde ze zich teveel voor. En in het huis was ze ook niet. Joris besloot maar te gaan slapen, aangezien hij de volgende dag weer vroeg uit de veren moest. Hij trok zijn kleren uit en ging in bed liggen. Hij keek naar het plafond van zijn grootse kamer en toen naar opzij. Daar in de hoek van zijn kamer meende hij Gerda te zien. Naakt en eenzaam. Maar het was Gerda niet. Het was zijn huisgnoe, Bertha. Hij keek nog eens goed en zag toen een vreemde blik in de ogen van de gnoe. Een glazige, maar wel een blik die er op duidde dat Bertha in opperste concentratie was. Ze kauwde en ze kauwde. In een flits van een seconde stond hij op. Hij rende naar de gnoe, deed haar bek open en keek erin. ‘Gerda? Ben je daar daar?’, schreeuwde Joris hysterisch. Geen antwoord. Op dat moment rolde de gnoe met haar ogen en stortte ter aarde om vervolgens roerloos te blijven liggen. Joris keek haar aan en voelde dat zijn lichaam zich vulde met een diepe angst. Hij voelde zich eenzaam. Wat moest hij doen? Het liefst wilde hij zich zelf van kant maken, omdat zijn vriendin Gerda en zijn huisgnoe de enige twee wezens waren die hij had in zijn leven. En nu waren ze er opeens allebei niet meer. Hij barstte in tranen uit. Op dat zelfde moment kwam Gerda binnen. Ze droeg een rode cape om haar dikke lichaam en ze begon spraakmakende televisie te maken. ‘Wat krijgen we nou?’, riep Joris met de tranen nog in zijn ogen. ‘Gaat je geen zak aan,’ proestte Gerda. Ze gooide een steen in het gezicht van Joris die door alle emotie direct stierf. Vervolgens begon Gerda de dode man en de dode gnoe te filmen alsof de duivel haar op haar hielen zat. Dit deed ze 5 dagen lang. Totdat ze er genoeg van kreeg. Vervolgens liep ze naar de huiskamer, pakte Ongewenste strandwandelingen van de sofa, om vervolgens weer terug te lopen naar de slaapkamer waar haar man Joris en de gnoe nog steeds lagen. Ze stak het boek in de fik, boog zich (naakt) voorover en fluisterde in het oor van haar dode man: ‘Ook ik haat het om voor te lezen of om voorgelezen te worden, Joris.’ De gnoe gunde ze geen blik meer, maar haar man kon nog rekenen op een kus op zijn koude dij. Met ferme passen liep ze vervolgens de kamer uit om op deze manier uit de surrealistische situatie die was ontstaan te ontsnappen.

Blog op Wordpress.com.
Thema: Esquire door Matthew Buchanan.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 271 other followers