Boulevard

orlando boulevard kort verhaal

De nacht geurde heerlijk, als linzen vermengd met verse peterselie, bieslook en dille. Het was warm en vochtig, de mensen zochten verkoeling met ijsjes van ijscoman Payet, verlegen stelletjes tastten elkaar zowel geestelijk als lichamelijk af en de maan glimlachte ontspannen en vol leefvreugde.

Ik liep over de boulevard en zag dat iedereen zich had uitgedost als paradijsvogels, hetgeen ervoor zorgde dat ik nogal uit de toon viel met mijn lichtgroene korte broek, rode t-shirt met rechtsonder mijn oksel een gat zo groot als anderhalve walnoot, bloedrode rugzak en afgetrapte witte tennisschoenen.

Bier had ik nodig op deze avond die, zo leek het op het eerste en tweede gezicht, blijheid en hitte uitstraalde. Ik passeerde de zoveelste straatverkoper uit een Afrikaans land met zijn na-maak voetbalshirts van Messi, Cristiano Ronaldo, Iniesta en Pogba, en liep naar links een smal straatje in. Het was er, door het ontbreken van de verkoelende zeewind die op de boulevard nog wel vrij spel had gehad, maar die zich hier gevangen voelde tussen de gebouwen, nog benauwender.

Bij een klein barretje ging ik op het terras zitten en bestelde een biertje en een glas water. De knappe serveerster bracht mijn bestelling twee minuten later met de elegantie van een balletdanseres die haar vak uitermate serieus neemt.

“Dank je wel,” zei ik en gaf haar een goedkeurend knikje met mijn hoofd.

“Het is mijn werk,” antwoordde ze met, naar mijn mening, een zeer zuinige glimlach. Natuurlijk, dacht ik bij mezelf, ook zij moet haar krachten sparen in deze haast kokende hitte.

“Ik geef je geen ongelijk hoor,” zei ik met een robuuste stem.

“Wat?”

“Dat je zuinig glimlacht. Je moet je krachten sparen. Als we in deze hitte allemaal uitbundig zouden lachen, zouden we sterven.”

De serveerster, die we voor het gemak nu maar even Leila noemen, keek mij aan zonder enige emotie. Het liet haar blijkbaar volkomen koud wat ik zei, iets dat razend knap was met deze temperaturen. Ze liep naar een ander tafeltje om een bestelling op te nemen van twee oudere mannen. De ene keek al net zo zuinig qua mimiek als de serveerster, de andere had grote verliefde ogen die de hele tijd jeugdig enthousiasme uitstraalden. Het was een mooi duo. Zou het een stel zijn? Ze bestelden iets en Leila liep terug naar binnen.

Ik haalde een hand door mijn steeds dunner wordende haar en nam een slokje van mijn bier. Ik liet het mij smaken. God, en hoe. Het schuimende goud verkoelde mij als een, ja als een wat eigenlijk? Als een duik in de zee? Een smeltend ijsje? Als een ijskoude douche omdat je vrouw weer eens alle gasvoorraad van de dag heeft opgemaakt waardoor het water niet meer kan opwarmen? Ik nam een tweede en heel snel daarna een derde slok. Ik keek om mij heen. De twee mannen naast mij namen allebei een slok van hun rode wijn.

Aan mijn linkerkant was een vrouw gaan zitten van midden 20. Ze had rood haar, een rank postuur, een witte huid en als kleding een wit jurkje en beige espadrilles. Ze was mooi, maar niet op een overdreven manier. Ik nam een vierde slok van mijn bier. En toen zag ik het. Vervolgens zette ik het glas neer op het ronde tafeltje waaraan ik nu al een kwartiertje zat, pakte het glas water en nam daar een slurp uit. Ik moest denken aan mijn oma. Zij vond het altijd verwijfd om een glas water te drinken tijdens het drinken van iets met alcohol. “Of je drinkt water, of alcohol. Mensen die geen keuze durven of kunnen maken vertrouw ik niet en zal ik ook nooit vertrouwen.” Glimlachend nam ik ook een vijfde slok van mijn bier. Opeens werd ik aangetikt door het meisje.

“Sorry dat ik u stoor meneer, maar ik zit hier al een paar minuten en ik heb het gevoel dat ik u ergens van ken. Maar verder kom ik niet. Het is alsof ik ooit over u heb gedroomd ofzo. Ik kan het niet goed uitleggen.” Ik keek naar links en zag dat ze een beetje voorover was gaan zitten om mij misschien nog iets beter te kunnen zien. Een vluchtige blik van twintig centimeter met de oogjes naar beneden, verraadden dat haar borsten niet al te groot waren.

“Haha, oké. Nee, ik ben het niet. Wie je ook bedoelt.” Ik maakte mijn glas bier leeg, zette hem weer neer en atte vervolgens het water dat ik nog had. Ik stond op en liep het café in. Achter de toonbank stond de serveerster net een bestelling in het systeem te zetten.

“Ik wil graag betalen,” zei ik terwijl ik mijn stem moeizaam in controle hield, “en ik betaal ook gelijk het drinken van dat meisje dat daar op het terras zit.” Ik wees met mijn duim achter mijn rug naar het terras, iets dat niet per se nodig was, aangezien ze het enige meisje op het terras was.

“Oké, dat is dan 7.50” was het enige dat serveerster Leila antwoordde. Ik betaalde en wilde alweer weglopen, maar bedacht mij. Ik pakte mijn notitieboekje en mijn pen uit mijn aktetas en schreef iets op een blaadje. Ik scheurde het uit en gaf het aan Leila.

“Wil je dit straks, als ik weg ben, aan dat meisje geven? Er staat op dat ik voor haar heb betaald en nog iets anders.“

“Dat is prima.”

“Hoe heet jij eigenlijk?”

“Leila,” zei Leila.

“Oh, haha, wat een toeval. Zo noem ik je al de hele tijd,” lachte ik, “in mijn hoofd althans.” Leila keek mij aan zoals ze al de hele tijd had gedaan, met een gezicht van totale desinteresse.

Ik liep de deur uit, over het terras. In mijn ooghoek zag ik dat het meisje naar mij keek, maar ik ontweek haar blik. Ik keek nog wel even naar de twee mannen die inmiddels hand in hand van hun wijn aan het genieten waren. Op het moment dat ik weer bijna het smalle straatje in liep naar de boulevard hoorde ik een meisjesstem een hysterische schreeuw eruit gooien. Het kwam van het terras. Ik liep door, via de boulevard, langs de Afrikaanse verkopers met hun neppe voetbalshirts, langs de mensen die zich hadden aangekleed als mooie paradijsvogels, langs de verliefde stelletjes, door de nacht die rook naar dille, bieslook, peterselie en linzen. En de maan? Die glimlachte niet meer ontspannen. Een gevoel van angst voor de toekomst had zich meester over hem gemaakt. En hij moest alle zeilen bijzetten om niet van ellende de zee in te vallen.

Advertenties

Jacqueline en de Morus bassanussen

Revolución Goulash

Kapitein Ton (foto)

Het zweet sijpelde uit zijn bovenlip. Kapitein Ton zag dat het in het kraaiennest van zijn hypermoderne piratenschip ‘Jacqueline’ – mogelijk vernoemd naar de middelste naam van Eva Longoria – plots wemelde van de reptielen.

View original post 1.192 woorden meer

Leeg

IMG_5915

Dralend gaat de tijd zijn eigen weg

En als je je eindelijk beseft

Dat niks er toe dat

Ben je te laat en lacht

De tijd je tergend lang en met

volle tevredenheid uit in je tronie

Heer, wat een tortuur.

León y Lucia

Paseando-por-Lavapies

Ik ging in bed liggen met een sigaret. Lucia had dit weekend definitief besloten om terug te keren naar haar ouders. Ze was al vaker gevlucht, maar ditmaal, dat voelde ik aan alles, was het voor altijd. Wat moest ik doen? De gedachte om op te staan maakte me al misselijk genoeg om te besluiten te blijven liggen. Ik snapte er ook helemaal niks van. Wat deed ik toch verkeerd? En waarom konden we niet gewoon samen zijn? Natuurlijk: we hadden af en toe onze ruzies, maar dat heeft toch iedereen? Dat is alleen maar gezond.

Nu is het tijd om te vertellen dat zij uit een goed milieu komt. Haar vader is kaakchirurg en haar moeder geeft gehandicapten paardrijles, maar dit doet ze alleen in het weekend, want doordeweeks is ze docent taalwetenschap aan de universiteit van Salamanca. Ze hebben één kind dat ze te pas en te onpas al van zeer jongs af aan intellectueel stimuleerden met literatuur, theater, cinema, musea, klassieke muziek en gastronomie. Ze wilden haar voorbereiden op een leven vol intelligente gesprekken, etentjes met erudiete personen en kunstenaars, samenwonend met een goede man, met mooie kinderen en uiteraard een goede baan waar ze voldoening uit zou halen. En een jaar of vijftien liet Lucia het ook allemaal toe en ging deze ambitie-stimulatie, zoals haar ouders het vaak gekscherend noemden als ze een paar drankjes op hadden, goed. Totdat haar puberteit begon.

Ze begon zich af te zetten tegen haar belezen intellectuele ouders. Steeds minder ging ze met ze om. Lucia had haar slaapkamer in haar ouderlijk huis, maar verder wilde ze niks met hen te maken hebben. Ze begon vaker uit te gaan. Eerst het hele weekend, vervolgens ook doordeweeks, totdat ze vrijwel elke dag in de kroegen en discotheken van Madrid te vinden was. Ze kwam steeds later thuis, als ze al thuis kwam. Ze kreeg foute vrienden, ging joints roken, vervolgens cocaïne. Nouja, jullie hebben nu in ieder geval wel een beeld van haar leven denk ik. En op een avond, toen ze weer eens helemaal naar de klote was ditmaal in bar Tebrikler Yunus, punkcafé at night/bistro at overdag, kwam ze mij tegen: León de Gamba.

De bar stond met bekend om zijn snoeiharde muziek vanaf een uur of 23.15. Eigenaar was Çınar Kılıç, een alternatieve Turkse man die in de jaren ’70 door de liefde voor een Spaans meisje in Spanje was beland en besloot om een etablissement op te richten voor de alternatievelingen onze ons. Hij noemde de plek Gefeliciteerd dolfijn, maar dan in het Turks. De wildste verhalen achter deze vreemde namen deden ten ronde. Sommigen zeiden dat zijn vader een keer op het strand bijna was gestikt in een sandwich met, zo zei men, mayonaise en een dier dat leek op een dolfijn. Het kon ook tonijn geweest zijn. Anderen zeiden dat het Çınars grootste droom was om een keer met een spelshow mee te doen, alle andere kandidaten weg te spelen en vervolgens van de showmaster te horen te krijgen: “Gefeliciteerd! Je hebt een dolfijn gewonnen!” Maar naar de echte reden achter deze naam kunnen we alleen maar gissen, want Çınar laat totaal niks los.

Het was hier waar ik Lucia dus tegen het lijf liep. Letterlijk, want ze lag laveloos in de hoek van de bar onder een tafel waar ik met mijn vrienden aan wilde gaan zitten. Ik stootte haar per ongeluk met de punt van mijn zwarte Dr. Martens tegen de borst, omdat het donker was en ik haar dus niet zag liggen op de met zweet, bier en ander vocht besmeurde houten vloer van Tebrikler Yunus. Ze was ver heen, dat zag ik wel. We hadden ergens anders kunnen gaan zitten, maar ik besloot om de één of andere onverklaarbare reden, naar de wc te lopen om wat servetten, die ik altijd bij me had, in het water onder te dompelen, op haar gezicht houdend, om haar zo bij kennis te laten komen. Of op z’n minst wakker. Dat lukte gelukkig, alhoewel ik direct merkte dat ze zwaar onder invloed was van allerlei door God verboden lekkernijen.

Maar na een tijdje ging het wel weer. Mijn vrienden gingen naar een ander feestje, maar ik en Lucia besloten om te blijven. We genoten van de gedraaide muziek zonder al te veel tegen elkaar te zeggen, het samenzijn was op dat moment genoeg. Ik had mij nog nooit zo gevoeld bij een meisje. De avond veranderde in de nacht. The Replacements kwamen voorbij, Ian Curtis hypnotiseerde ons met zijn indringende stem, David Byrne zong een liedje over drugs, The Jesus and Mary Chain over dat ze was als honing, Nick Cave bracht She Fell Away ten gehore en de avond werd afgesloten met Robert Smith van The Cure die een slaapliedje voor ons zong. Al met al een perfecte ronde avond.

We liepen naar buiten en ik zag dat de vlierbeskleurige lucht ons een warm welkom heette. Het was ondanks het tijdstip, een bloedhete nacht in Madrid. Ik begeleidde haar naar het treinstation, nadat ik had voorgesteld om haar helemaal tot haar ouderlijk huis in Salamanca te begeleiden, maar dat weigerde ze. We wisselden nummers en zouden elkaar bellen. Na een aantal dates kregen we een relatie. Lucia werd rustiger, ging minder vaak uit en na een jaar besloten we om samen te wonen. We kregen een goedkoop appartement in de wijk Lavapiés, een multiculturele wijk in Madrid. Alles ging goed, maar daar dachten haar ouders anders over. We waren inmiddels twintig jaar en zielsgelukkig met elkaar.

Lucia studeerde muziekwetenschappen en ik werkte in een schoenenzaak. Ik had nooit willen studeren en dit baantje betaalde genoeg om rond te komen en de dingen te doen die ik wilde doen, dus ik was tevreden. Lucia vond alles goed, zolang ik maar gelukkig was met mijn eigen leven. Maar haar ouders waren een ander verhaal. Ze vonden dat ik een slechte invloed op haar had, althans dat zeiden ze niet met zoveel woorden in mijn gezicht, maar ik merkte het elke keer weer als Lucia na een bezoek aan haar ouders weer thuiskwam. Ze gedroeg zich dan steeds afstandelijker, maar als ik haar dan vroeg naar wat er was, zei ze niks en gaf ze mij de koude schouder.

Met haar ouders en hun vrienden heb ik het nooit goed kunnen vinden. Op feestjes viel ik buiten de boot tussen deze pseudo-intellectuelen met hun boekenwijsheden, hun restaurant tips, het hautaine gedrag, de obscure Mozart sonaten luistertips en dat soort dingen meer. Zelfs veel alcohol maakte dit alles niet dragelijk. Zoveel als het kon, probeerde ik deze partijtjes dan ook te ontlopen. Lucia snapte mij en voelde zich ook niet op haar gemak. Was dat misschien de reden waarom ze mij had gekozen om naartoe te vluchten?

Ook de normale gesprekken met haar ouders waren vanaf het begin al ongemakkelijk. “Wat wil je later worden, León? Wat wil je met je leven?”, vroegen ze me vaak. “Want je wil toch niet je hele leven in die schoenenwinkel werken?” Ik had geen idee wat ik wilde met mijn leven, het begrijpen en beleven leek me al moeilijk genoeg. Net genoeg geld verdienen om rond te komen. Mezelf terugtrekken met een goed boek, zittend bij stromende beekjes. Genieten van het mooie gezicht van Lucia en in de toekomst misschien van die van onze kinderen. Dat wilde ik. Meer niet.

En toen opeens, een dag na mijn 22e verjaardag en een week voor haar afstuderen, zei ze tegen me: “Zou je niet eens je baantje bij die schoenenwinkel opzeggen en misschien weer gaan studeren?” Het leek een normale vraag, maar ik voelde aan alles dat dit het begin van het einde was. Noem me dramatisch, maar ik wist het direct. Lucia, het meisje dat alles goed vond zolang ik maar me maar gelukkig voelde, klonk als haar ouders. De ouders waarvan zij zich als vijftienjarige meisje was beginnen los te maken. De volgens haar, en ik parafraseer haar even, “te ambitieuze bemoeiallen die alleen maar kicken op materie, kennis en dat soort er niet toe doende zaken.” Maar de opvoeding had uiteindelijk, via een hoop omzwervingen, toch blijkbaar zijn doel bereikt.

“En het is niet voor mij hè, maar voor jezelf. Ga iets doen op jouw niveau. Je bent zo slim. Het zou zonde zijn als je jouw talenten zou weggooien, toch?” Ja zo begint. Doe het voor jezelf, zegt ze, alhoewel we allemaal weten dat dit onzin is. Zeg dan gewoon wat je bedoelt. Dat je je schaamt bijvoorbeeld voor mijn gebrek aan ambitie. Of verzin van mijn part iets anders origineels. Maar wees wel eerlijk.

Het begon met een enkele keer per jaar, dat ze even een paar dagen bij haar ouders ging logeren in Salamanca om “na te denken over onze relatie”. Later kwamen deze logeerpartijtjes steeds vaker. En nu, zeven jaar na het begin van onze relatie, lig ik rokend in mijn veel te grote bed voor één persoon en ben ik in de war, verdrietig, boos, lamgeslagen en weet ik alleen één ding honderd procent zeker: Lucia heeft me nu definitief verlaten.

Verjaardag

monchoutaartMensen die mij persoonlijk kennen weten het al langer: ik heb een gruwelijke hekel aan verjaardagen. Het doet er ook niet toe wie er jarig is. De verjaardag van familie, mijn kat of van vrienden en kennissen, het maakt niks uit. Ik haat ze allemaal evenveel. Alleen mijn eigen verjaardag vind ik de moeite waard, puur vanwege het feit dat ik hem niet vier. Er wordt ook altijd van je verwacht dat je een cadeautje meeneemt en vaak kijken ze er dan helemaal niet naar, omdat ze al zoveel verschillende dingen krijgen. Of ze kijken er wel naar, maar ze vinden het niet leuk. Die reacties vind ik dan altijd wel weer een pluspunt aan verjaardagen. ‘Uhm, kandelaars. Leuk. Ook in combinatie met die zachte geitenkaas die je er in hebt gestopt…… bedankt.’

Maar het cadeaus uitzoeken is nog niks als ik het vergelijk met de wat wil je later worden vragen. Die haat ik het meest. Vaak komen ze ook uit het niets. Zit je lekker op de bank te nippen van je bier, komt er opeens een malloot naast je zitten. ‘Hoi, ik ben Gretha. Alles goed?’ ‘Nou, het ging wel.’ ‘Wat wil jij trouwens later worden als je groot bent?’ Waar kwam die vraag opeens vandaan en wat is het nut van het antwoord? Waarom wil je van een, waarschijnlijk volslagen onbekend iemand, weten wat hij of zij later wil worden? ‘Uhm, nou eigenlijk denk ik daar niet aan, aangezien ik toch nooit groot zal zijn,’ antwoord ik dan bijvoorbeeld. Dan voelen ze vaak wel dat ik deze vraag niet op prijs stel, maar sommigen zijn zo dom dat ze dit dan niet merken aan mijn antwoord en proberen het gewoon nogmaals. ‘Nee, even serieus. Ik weet ook wel dat je niet de grootste bent, maar ook kleine mensen willen later toch iets worden? Dus we proberen het gewoon nog een keer: wat wil je later worden?’ Pff wat een domme vrouw. Als ze het zo wil spelen…. ‘Jouw vader. Ja, dat zou ik wel willen worden.’ Nu was het zelfs voor Gretha duidelijk dat ik deze vraag belachelijk vond en ze liep zonder nog iets te zeggen weg. Op avontuur naar de volgende persoon die wél een gezellig gesprekje met haar wilde voeren over wat hij of zijn later zou willen worden.

Ik had nu weer mijn welverdiende rust. Ik pakte eerst nog een biertje uit de koelkast (‘doe of je thuis bent’ hadden ze gezegd) en daarna een handvol Japanse, pikante rood/oranje zoutjes. Maar ik voelde aan mijn water dat dit momentje van geluk niet lang zou duren. En mijn gevoel was zoals wel vaker juist. Ik zag een man met een groene pullover, zittend aan mijn linkerkant, opstaan en zijn broekspijpen rechttrekken. Hij zat al een tijdje vanuit zijn ooghoeken naar mij en Gretha te kijken toen ik haar indirect liet weten dat ik haar vraag niet op prijs stelde. En nu Gretha weg was, greep hij zijn kans. Hij stond op en liep met een ferme doch subtiele pas naar mij, en de bank waar ik op zat, af. Dit was niet mijn avond.

‘Hallo, mijn naam is Joost.’ ‘Hallo Joost.’ ‘Wat is jouw naam?’ ‘Gok eens.’ ‘Waarom zou ik naar je naam gissen? Kan je hem niet gewoon zeggen?’ ‘Doe nou eens een gok, Joost. Dat zou ik erg waarderen.’ Zo had Joost zich dit gesprek niet voorgesteld. ‘Uhm, heet je misschien Arnold?’ ‘Arnold? Vind je mij een Arnold-type? Nou, bedankt! Dan weet ik dat ook weer!’ ‘Oh nee, zo bedoelde ik het niet. Uhm heet je misschien Leonardo?’ ‘Leonardo? Joost alsjeblieft zeg. Waarom gooi je er met je pet naar? Dit naam-gokken is erg belangrijk voor mij, maar je neemt het blijkbaar niet erg serieus. Nu kan je natuurlijk niet verwachten dat ik je mijn naam vertel.’ Mijn doel was natuurlijk om Joost van zijn stuk te brengen zodat hij niet met de standaard wat wil je later worden vraag zou komen aanzetten. Maar ik had Joost verkeerd ingeschat. Hij was inderdaad van zijn stuk, maar na een aantal seconden herpakte hij zichzelf, zette een zware stem op en zei: ‘Ok, dat is goed. Maar wat wil je later eigenlijk worden of moet ik dat ook gokken?’ Jezus. Wat een lul. Wat een avond. Hij dacht grappig te zijn.

Ok, nu kan hij het krijgen ook. ‘Ik denk erover na om schrijver te worden.’ ‘Oh wat leuk zeg!’ riep Joost veel te vrolijk. ‘Wie is dan je favoriete schrijver als ik vragen mag?’ Wow, Joost was naar een klap vol op zijn gezicht aan het solliciteren. Dat schrijversantwoord had ik al een aantal keren eerder gebruikt op andere verjaardagen, dus ik wist dat hij naar mijn favoriet zou gaan vragen aangezien bijna iedereen dat deed. En steevast verzon ik dan steeds een andere niet bestaande schrijver en dan maar hopen dat de persoon tegenover mij deze schrijver ook fantastisch zou vinden. ‘Nou Pierre von Liebeñstrauß vind ik erg goed. Hoe hij zijn miserabele leven zo mooi en pakkend kan samenvatten en verwoorden vind ik ongeëvenaard.’ Maar Joost hapte niet. ‘Ok, die ken ik niet. Ik zal hem eens opzoeken in de bieb. Hoe schrijf je zijn naam?’ Oh, Joost. De ene na de andere fout maak je nu. ‘Ik denk niet dat jij hem leuk zal vinden. Je bent niet bepaald het type dat van hem zou kunnen houden.’ Ik moest hem kwijt zien te raken, dus ik deed wat ik in dit soort situatie wel vaker deed en zei: ‘Wouter Bos is trouwens ook een grote inspiratiebron voor mij.’ ‘Wouter Bos? Die ex-politicus? Maar die schrijft toch helemaal niet?’ ‘Dat klopt’, en toen liep ik weg. Of beter gezegd: ik rende de kamer uit. Ik kon deze verjaardag niet meer uitstaan. Ik schreeuwde het uit en smeet de deur achter me dicht. Wat een avond.

Maar ik zal jullie lezers/verjaardagmensen tegemoet komen. Ik zal hieronder een lijstje geven met antwoorden die ik nog weleens wil gebruiken op de vraag wat ik later wil worden, zodat jullie na het horen van één van deze antwoorden direct weten dat ik niet in ben voor dit type gesprekjes. Dan weten jullie gelijk dat het beste dat jullie dan kunnen doen opstaan is en zonder iets te zeggen een andere gesprekspartner zoeken:

  • ‘Wat wil je later worden?’ ‘Uhm, schrijver lijkt me leuk.’ ‘Oh, leuk! Wie inspireert jou dan qua schrijvers?’ ‘Nou het is niet zozeer wie. Het zijn gewoon de simpele dingen uit het leven. De ochtendbries door je haar als je ’s ochtends op je paard naar de lokale supermarkt gaat om wat boodschapjes te doen. Of als ik net mijn stoep heb geveegd en er dan een man met een keurige snor langsfietst en mij toeroept dat hij nog nooit in zijn leven zo’n kleine man zijn stoep zo mooi heeft zien vegen. Dat soort dingen inspireren mij.’
  • ‘Wat wil je later worden?’ ‘Een lolly en dan hopen dat je mij lekker vindt’
  • ‘Wat wil je later worden? ‘Achterbaks.’
  • ‘Wat wil je later worden? ‘Verzorger van een mooie, lieve en glanzende hond.’

Dus val me voortaan niet meer lastig met de vraag wat ik later wil worden. Jullie besparen jezelf, de overige gasten en de jarige job een stomme verjaardag.

Gesprek met een hond

De4777082392_ab412f870b_z eerste keer dat je een gesprek hebt met een hond, vergeet je niet snel. En al helemaal niet als het om een markante, mannelijke hond gaat. Mijn naam is Marco en ik ben al jaren beeldhouwer. In de kunstwereld kom je een hoop interessante mensen tegen, maar dit wezen spande de kroon. Hij noemde zichzelf Ferry. ‘Op z’n Frans uitspreken s’il vous plaît,’ zei hij direct bij onze eerste ontmoeting. Hij had een roze cape om zijn nek hangen die hij droeg met een belachelijk grote hoeveelheid flair. Hij straalde tevens een jaloersmakende zelfverzekerdheid uit. Het beest leek zich nergens voor te schamen.

‘Ik val op mannen,’ ging hij verder. Ferry praatte tegen mij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. ‘Ken ik jou niet ergens van?’, probeerde ik tevergeefs. Ferry leek niet onder de indruk van deze vraag. Door zijn gedrag begon ik mij intussen de hond te voelen. Hij draaide de rollen om! ‘Ken ik JOU ergens van?’ vroeg hij met een allure die ik niet gewend was van dit soort type beesten. ‘Niet dat ik weet’, zei ik met een snik in mijn stem. Tsja, ik moest toch íets proberen om het gesprek naar mijn hand te zetten? Ik voelde mezelf aardig in de hoek gedreven worden. Ferry keek me vol argwaan aan, hij wist dat ik loog. ‘Je ziet eruit alsof je wel een biertje kan gebruiken.’ ‘Dat klopt,’ zei ik. Hij nam me bij mijn arm, op een manier zoals alleen een homofiele hond zou kunnen, en stak met mij de straat over. De straat was inmiddels ijzingwekkend rustig voor dit tijdstip. Ik telde hooguit 3 passerende auto’s. Een grijze Renault Clio met een Duits kenteken, een Volkswagen Golf en een Ford Ka, maar vraag me niet hoe deze Ka eruit zag, ik wil namelijk niemand kwetsen.

We stapten de eerste de beste kroeg binnen en gingen aan de bar zitten. ‘Twee bier en een portie borrelnootjes,’ zei Ferry tegen de barman. De manier hoe hij nootjes uitsprak beviel me allerminst. Hij wilde iets van me, dat was inmiddels wel duidelijk. We kregen de twee pilsjes en een bakje nootjes en Ferry begon weer tegen me te praten. ‘Wil je iets voor me doen?’, vroeg hij. Ik kon alleen maar onderdanig knikken, dus dat deed ik dan ook. ‘Ok, luister goed. Zie je die vrouw daar in de hoek? Met dat rode jasje?’ En of ik die zag, wat een spuuglelijk jasje had ze aan. ‘Je gaat zo naar haar toe en vraagt haar of ze van honden houdt. Vervolgens voer je haar een borrelnootje en als ze die op heeft, vraag je haar of ze zin heeft om mee te komen naar de bar waar een vriend van je zit.’ Ferry zat daar op z’n barkruk met een strakke hondenblik in zijn ogen. Ik vroeg waarom ik dit moest doen, hij zei dat ik dat straks vanzelf wel zou zien.

Ik stapte van de kruk af en liep op de desbetreffende dame af. Ze zat daar in een hoek van de kroeg met een verveelde blik in haar ogen. ‘Hallo daar,’ riep ik luid om boven de muziek uit te komen. ‘Hallo’, zei ze zonder opkijken. ‘Vind je het goed als ik naast je kom zitten?’ ‘Ach, als je dat echt wil, maar ik ga niet met je naar bed.’ Pfff, deze dame zou geen gemakkelijke prooi worden. ‘Hou je van honden?’ Ze keek me nu eindelijk recht in de ogen. ‘Wat is dat nou voor een onnozele vraag?’ Vervolgens opende ik haar mond en stopte ik het borrelnootje, dat ik al die tijd in mijn hand had gehouden, in haar waffel. Het was een beetje gaan plakken door mijn warme gespannen handen. De vrouw keek me vervolgens vol ontzag aan, ik had haar vanuit het niets in mijn macht gekregen. ‘Heb je zin om mee te gaan naar de bar? Daar zit een vriend van me,’ vroeg ik zoals mij gevraagd was te doen. ‘Ja daar heb ik wel zin in,’ zei ze met een geile blik in haar ogen. Dit ging wel heel makkelijk, dacht ik bij mezelf. Waar had die homofiele hond Ferry deze trucs geleerd?

Ik nam de dame mee naar de bar en begeleidde haar naar Ferry. Ze zag de hond zitten en toen begon ze opeens te bulderen van het lachen. Ze rende naar hem toe en begon hem driftig te aaien en te knuffelen, opgewonden als ze was. Ferry tuitte zijn hondenlippen en Parnasse, want zo bleek ze te heten, deed gewillig hetzelfde. Een dame met een lelijk rood jasje was op dat moment een homofiele hond met een roze cape vol op zijn mond aan het kussen in een drukke kroeg. Ik stond daar maar, en kon niks uitbrengen. Maar toen gebeurde er iets wat nog wonderbaarlijker te noemen was. Ferry veranderde namelijk langzaam aan in een knappe man. En niet eentje die op mannen viel. Neen, een heteroseksuele Adonis. Eentje waar iedere vrouw van droomt en Parnasse dus ook. Zij leek allerminst verrast, want ze pakte zijn hand en samen liepen ze de kroeg uit. Door pure verbazing gevangen sloot ik mijn ogen, telde tot zes en richtte mij tot de kleine barman. ‘Doe mij maar een dubbele wodka, zonder ijs maar met citroen.’ ‘Komt voor de bakker,’ was het antwoord van de beste man.

Onbekwaamheid

zorgzaamMijn naam is John en het gaat slecht met mij. Het zwarte gat waarin ik zit, is niet te beschrijven, dus ga ik het niet eens proberen. Mijn vriendin is een aantal jaar geleden bij mij weggelopen, omdat ik in haar ogen ‘lief en aanhankelijk was maar op een super irritante manier’. Ik wist niet precies wat ik hiermee aan moest. Ik had altijd geleerd dat je lief moet zijn voor vrouwen, dat je ze alles moet geven wat je in je hebt en dan nog meer. Behandel ze als prinsessen. Maar blijkbaar dacht Juuls hier anders over.

‘Je moeder kwam laatst langs’, antwoordde ik nadat Juuls mij dus had gezegd dat ik ‘lief en aanhankelijk was maar op een super irritante manier’. ‘Wat heeft zij er nu weer mee te maken?’, vroeg Juuls op een toon die ik van haar gewend was waardoor ik direct kon pareren. ‘Helemaal niks, maar het is wel zo.’ ‘John, waarom ben je zo’n nare man geworden?’ ‘Ik heb geen idee Juuls, ik zie mij vooral als een eerlijke lieve man, zonder poespas.’ ‘Ja, dat is nu net het probleem. Je bent een te lieve man, een beetje een sukkeltje.’ Toen trok ze haar broek uit, klom op een stoel, scheet over onze pas gekochte eettafel, sprong van de tafel, liep naar de slaapkamer, pakte haar koffer, trok de deur dicht en zette op deze originele manier (dat moeten we haar nageven) een punt achter onze tot dan toe twee jaar durende relatie. Ik heb Juuls daarna nooit meer gezien.

A Weekend in Paris (Michell, 2013)

Afbeelding

Dit artikel verscheen eerder op Filmpjekijken.com 

Nick Burrows (Jim Broadbent) verrast zijn vrouw Meg (Lindsay Duncan) met een weekendje Parijs om hun dertig jarige huwelijk te vieren, dezelfde stad waar ze ooit hun huwelijksreis hebben gehouden. De vlam der liefde tussen beiden lijkt echter gereduceerd tot een voor het blote oog vrijwel onzichtbare vonk. Af en toe komt zien we wel een glimp van deze ooit aanwezige hartstocht, maar binnen enkele minuten kan deze weer volledig van het toneel zijn verdwenen.

Als Nick zijn vrouw vraagt waarom hij haar nooit meer mag aanraken, antwoordt zij met ‘It’s not love, it’s like being arrested.’ Ze lijkt tevens te lijden aan een bipolaire stoornis, want het ene moment kan ze het bloed van haar man wel drinken en vijf minuten later vertelt ze hem doodleuk tijdens een diner in een gezellig Frans restaurantje dat ze blij is dat hij haar heeft meegenomen naar Parijs.

Of is dit normaal? Zijn we allemaal een beetje bipolair als het gaat om mensen voor wie we, soms diep weggezakte, maar nog wel aanwezige gevoelens koesteren? Is het juist ómdat we van iemand houden, dat we ons kunnen ergeren aan kleine dingen? En is het juist vanwege deze liefde dat we het daarna weer, met een goed glas wijn, goed kunnen maken om weer verder te gaan met ons leven?

Misschien is dit zo, maar het feit dat Meg zo is, zorgt er wel voor dat men als kijker weinig empathie kan opbouwen met dit personage. Het zorgt er ook voor dat je niet erg meeleeft met het duo; het maakt de kijker weinig uit of het uiteindelijk weer goed komt tussen de twee of niet.

Het plot helpt hier ook niet aan mee. Het is een zwak, weinig origineel en onlogisch geheel zonder duidelijke lijn. Het ene moment lijkt de relatie op sterven na dood en een moment later kunnen de twee oude mensen het weer prima met elkaar vinden.

A Weekend in Paris voelt als film eigenlijk aan zoals de meeste langlopende huwelijken: het kabbelt maar voort en de dialogen tussen de twee partners zijn niet om over naar huis te schrijven. Tevens gebeurt en nog maar heel sporadisch iets leuks en interessants. De rest van de tijd is het uitzitten en vechten tegen de eenzaamheid.

Afbeelding

Avaritia: aardbeien-colalolly

Als ik nu ga huilen, krijg ik misschien die zoete aardbeien-colalolly. Ik kan het altijd proberen. Wat heb ik te verliezen? Die twee yuppen sturen mij echt niet voor Sesamstraat naar bed, of zonder eten. Bullshit. In dat soort huichelarij heb ik nooit geloofd. Mijn leven en ikzelf mogen dan nog in onze kinderschoenen staan, maar van dit soort mensen krijg ik zonder uitzondering luieruitslag.

Ik geef ze nog een paar tellen om mij het snoepgoed te geven alvorens ik ga janken. Mochten ze mij dan nog steeds negeren, omdat ze zoals gewoonlijk te vol zijn van zichzelf of omdat ze bezig zijn hun witte wijn met veel te grote snelheid achterover te slaan en mij daardoor geen blik waardig gunnen, dan slijp ik vannacht in alle stilte een scherpe punt aan mijn rammelaar om vervolgens, met dit persoonlijke eigendom tussen de lippen en heel misschien wel met een rode bandana om mijn nog veel te kale hoofd, heel stil langs de poot van hun veel te dure bed omhoog te klauteren. Dan ga ik lekker tussen ze in liggen. En nee niet om te knuffelen, daar is het veel te laat voor. Ik heb ze een kans gegeven, maar die hebben ze verprutst. De dood is eigenlijk nog iets te moois en te groots voor ze, maar iets beters kan ik niet verzinnen. Ik ben verdomme nog maar twee en half jaar hè.

Her (Jonze, 2013)

Dit artikel verscheen eerder op Wij Kijken Netflix

Het plaatsen van je mening in de inleiding van een recensie vind ik vaak een zwaktebod. Bouw spanning op, verras je lezers, laat ze niet direct weten wat je van de film vindt. Maar nu kan ik niet anders. Ik heb mezelf proberen te bedwingen, maar het is niet gelukt. Her van regisseur Spike Jonze is een sublieme film geworden, waaraan alles klopt.

In Her worstelt Theodore Twombly (weer een prachtige rol van Joaquin Phoenix) met zijn stukgelopen huwelijk. Op het werk gaat het hem een stuk beter af. In het Los Angeles van de nabije toekomst is Theodore ghostwriter. Mensen die zelf geen inspiratie hebben maar toch een brief naar een geliefde willen sturen, kunnen bij hem terecht. Door zijn gevoeligheid en inlevingsvermogen kan hij zich goed in de klanten verplaatsen, waardoor het schrijven van dit soort liefdevolle brieven voor hem een koud kunstje is.

Maar zo goed als zijn werk hem afgaat, zo slecht gaat het op relationeel vlak. Theodore worstelt dus met zijn huwelijk en de geslaagde dates zijn op een halve hand te tellen. Want alhoewel hij officieel nog getrouwd is met Catherine (Rooney Mara), hebben ze elkaar al een jaar niet meer gezien. Om zijn eenzaamheid een beetje te temmen, koopt hij een nieuw soort computersysteem die op basis van je eigen voorkeuren en leven een eigen identiteit weet te creëren.

her-review-9.jpg

En laat deze nieuwe digitale ordeschepper nu net de zwoel pratende Scarlett Johannson zijn of in ieder geval haar stem, want Johannsson is in Her fysiek alleen offscreen aanwezig. We horen haar de hele film alleen maar praten. Ze heeft dus alleen haar stem om de kijkers qua acteren te imponeren, dus het is extra knap dat dit toch zo goed lukt. Ze speelt het personage Barbara en het is haar taak om het leven van Theodore zo makkelijk mogelijk te laten verlopen. Ze organiseert zijn mailtjes, wijst hem op z’n afspraken, checkt de spelling van zijn brieven.

Maar naar verloop van tijd begint Theodore gevoelens te krijgen voor de erg menselijk klinkende Samantha en op haar beurt ontwikkelt ook zij zich tot een vrouw die dan wel geen lichaam heeft, maar wel degelijk menselijke eigenschappen als geestigheid, inlevingsvermogen en sociale intelligentie. Ze krijgen zelfs iets dat op een relatie lijkt. Door middel van een soort telefoon kan Samantha ook alles zien wat ze beleven op hun uitstapjes. Uiteindelijk bloeit Theodore helemaal op, omdat zij hem op een nieuwe manier naar dezelfde wereld laat kijken.

Qua sfeer en thematiek doet de film af en toe denken aan Lost in Translation, toevalligerwijs ook met een hoofdrol voor Scarlett Johannsson. We zien in beide films de eenzame hoofdpersonen figuurlijk verdrinken in een grote stad. Het personage Samantha lijkt dan weer losjes gebaseerd op een iconisch personage als Hal 9000 uit 2001: A Space Odyssey, tevens een computersysteem met menselijke trekjes.

Spike Jonze is erin geslaagd om een prachtig portret te maken over liefde in moderne digitale wereld. Kan je verliefd worden op een computerstem? Wat zijn de reacties van de buitenwereld hierop en zouden deze reacties moeten uitmaken? Kan geestelijke intimiteit soms belangrijker zijn dan lichamelijke? Het zijn maar een aantal vragen die Jonze lijkt op te werpen.

Concluderend kunnen we stellen dat de acteerprestaties (Joaquin Phoenix en Scarlett Johansson), de sfeer, de cinematografie (verzorgd door Hoyte van Hoytema) en de muziek (Arcade Fire) één organisch geheel vormen dat je emotioneel laat sidderen van blijdschap en waardoor je je weer herinnert waarom film zo’n prachtig medium is. Het warme kleurenpalet dat Van Hoytema gebruikt, voelt als een warme deken die je bescherming biedt tegen alle slechte dingen in het leven. Natuurlijk bestaat er eenzaamheid en natuurlijk gaan relaties soms uit maar blijf niet steken in bitterheid, hoe moeilijk dat soms ook is.

Her-review-1.jpg

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.